|
Een lichaamscel van een kat heeft 38 chromosomen, of 19 chromosomenparen. Bij de poes bestaat het 19e paar (de zgn. geslachtschromosomen) uit twee X-chromosomen; bij de kater daarentegen uit een X- en een Y-chromosoom.
Rijpe kiemcellen herbergen een halve chromosoomserie en bij de bevruchting (= de samen-smelting van eicel en zaadcel) wordt dat weer een volledige reeks van 38 chromosomen. Het geslacht hangt af van welk van de chromosomen van vaderszijde (een X- of een Y-chromosoom) in de kern van de vrouwelijke eicel dringt: als het een X-chromosoom is dan wordt het een vrouwtje (XX); is het een Y-chromosoom dan wordt het een mannetje (XY).
De meeste katten en ook de huiskat (Felis catus) hebben 38 chromosomen, maar er zijn ook katten die 36 chromosomen hebben, zoals bijvoorbeeld de Ocelot (Felis pardalis).
|